Weet jij raad met plagiaat? Met deze 5 tips zet je in op plagiaatpreventie

Een van de onderwerpen die regelmatig terugkeren in de Facebookgroepen voor leerkrachten is de aanpak van plagiaat. Het is een signaal dat veel leerkrachten plagiaat als een zorg ervaren. In deze blogpost geef ik vijf tips om tijdens je lessen in te zetten op plagiaatpreventie.

1. Leer leerlingen duidelijk aan wat plagiaat is en waarom het niet door de beugel kan.

Uit de reacties op sociale media leid ik af dat vele leerkrachten ervan uitgaan dat leerlingen weten wat plagiaat is. Of dat alleszins zouden moeten weten. Toch merk ik in de praktijk dat het belangrijk is om tijd te investeren in het uitleggen van het begrip plagiaat. Maak de impliciete verwachtingen expliciet, nog voor je leerlingen aan het werk zet.

Elke leerkracht Nederlands zal dit voorbeeld herkennen: wanneer ik leerlingen vraag om hun mening over een boek neer te pennen, lees ik soms letterlijk de mening van een collega-leerling op www.scholieren.com. Wanneer ik hierover het gesprek aanga met de betrokken leerlingen, geven zij soms aan dat hun mening eenvoudigweg volledig overeenstemt met de mening die ze op het internet vonden. Voor deze leerlingen voelt het dus prima aan om deze tekst te kopiëren en als hun eigen mening in te dienen. Ik besteed daarom best wat tijd om leerlingen duidelijk te maken dat het OK is om hun eigen mening te toetsen aan de mening van anderen, maar dat ze dit ook kenbaar moeten maken.

Leerlingen die wat meer ondersteuning kunnen gebruiken, kunnen baat hebben bij enkele sjabloonzinnen die hen op weg helpen:

In een recensie op [BRON MENING X]  las ik [MENING X] . Ik kan me volledig vinden in deze analyse, omdat [ARGUMENTATIE].

2. Werk aan een leerlijn en leg uit wat de consequenties zijn van plagiaat.

Het kan zinvol zijn om met collega’s een leerlijn uit te werken (over grenzen van vakken, leerjaren en graden heen). Op onze school vertrokken we van de volgende drie vragen: 1. Wat verwachten we van leerlingen in de eerste, tweede en derde graad? 2. Hoe worden deze verwachtingen kenbaar gemaakt aan de leerlingen? 3. Wat zijn de consequenties wanneer een leerling zich niet houdt aan de gemaakte afspraken?

Het toekennen van een sanctie lijkt eenvoudiger dan het is. Plagiaat is immers een veelkoppig monster. Welke sanctie verdient een leerling die een taak van een medeleerling uit een andere klas indient als de zijne? En is die overtreding even zwaar als een leerling die zijn eigen werk van godsdienst een jaar later weer indient voor het vak Nederlands? Welke sanctie krijgt een leerling die een bron vergeet te vermelden in de referentielijst bij zijn GIP of onderzoekspaper? Wat is het verschil tussen een zin of een volledige alinea kopiëren uit Wikipedia? Maakt de totale lengte van de opdracht een verschil?

Eerder schreef ik hier al dat ik geen voorstander ben om leerlingen te straffen via het toekennen van een lager cijfer of een 0. Dat cijfers zegt immers niets meer over het te behalen leerdoel. Het lijkt me zinvoller om – waar mogelijk – de leerling de opdracht te laten herschrijven en gefaseerd te werken. Een leerling die in een eerste schrijffase tegen de lamp loopt, kan zijn werk nog bijsturen en krijgt zo nog de kans om een eindproduct in te leveren dat voldoet aan de vooropgestelde eisen.

3. Laat je leerlingen werken aan zinvolle opdrachten die niet uitnodigen tot een eenvoudige copy-paste van het internet.

Bepaal op basis van de opdracht of het zinvol is om in te zetten op plagiaatdetectie. Wanneer een opdracht gesloten van aard is en aanstuurt op een zelfde soort antwoord, is het niet zinvol om te controleren op plagiaat.

Zelfs wanneer je goed hebt nagedacht over een opdracht, kan je tijdens het proces tot de conclusie komen dat de opdracht toch aanzet tot het formuleren van een zelfde soort antwoord. Zo boog ik me recent met een collega over de (machinale) plagiaatdetectie bij een korte schrijfopdracht voor het vak Frans. Een aantal leerlingen had dezelfde fout gemaakt. Het was ons niet duidelijk wat de oorzaak was: hadden ze de taak van elkaar gekopieerd hadden of hadden ze een vergelijkbare zin ingevoerd in Google Translate? In dit geval leek me een gesprek met de leerlingen over de aanpak meer gepast dan een sanctie voor plagiaat.

4. Gebruik technologie om op een billijke manier te controleren op plagiaat.

Leerkrachten proberen in vele gevallen plagiaat te detecteren via manuele zoekopdrachten op het internet. Hoewel ik deze aanpak in het verleden zelf ook heb toegepast, zijn er ondertussen betere manieren om plagiaat op te sporen. Manuele zoekopdrachten zijn niet alleen tijdrovend, maar benadelen mogelijk ook zwakkere leerlingen. Als leerkracht ga je in deze situatie immers pas zoeken naar een mogelijke bron die gekopieerd werd, zodra je het vermoeden hebt dat een leerling een stuk tekst gekopieerd heeft. Meestal is dit te merken aan een stijlbreuk in de tekst. Sterkere leerlingen die gebruikte bronnen stilistisch beter kunnen integreren in hun eigen werk zullen hierdoor minder vaak gecontroleerd worden op plagiaat, maar niet noodzakelijk minder vaak plagiaat plegen.

Er zijn vandaag heel wat online tools beschikbaar om werk van leerlingen te controleren op plagiaat. Ook leerplatformen bieden geïntegreerde tools aan om plagiaat op te sporen. Mijn school koos ervoor om de plagiaatmodule van Smartschool aan te kopen. De plagiaatchecker toetst het werk van leerlingen niet alleen aan bestaande bronnen, maar voegt ook elke gecontroleerde taak toe aan de database. Op deze manier vermijd je dat leerlingen werk doorgeven aan elkaar, of hun eigen werk ongemerkt ‘recycleren’ voor andere vakken of opdrachten. De tool is niet waterdicht, maar zorgt er wel voor dat het werk van alle leerlingen op dezelfde manier gecontroleerd wordt. De analysefiches die voor elke opdracht aangemaakt worden, zijn een aanknopingspunt voor een gesprek met de leerling.

De kostprijs van deze tools wordt wel eens opgeworpen als tegenargument. Mijn mening hierover is duidelijk: als leerkrachten moeten we ervoor blijven pleiten om toegang te krijgen tot de tools die ons in staat stellen om efficiënt en kwalitatief werk te leveren. Het verbeteren van schrijfopdrachten is arbeidsintensief. Niemand heeft baat bij een leerkracht die (veel) tijd besteedt aan het verbeteren van werk dat niet door de leerling geschreven is.

5. Geef als leerkracht het goede voorbeeld en vermeld consequent je bronnen.

Niet alleen verbeteren, maar ook correct citeren en refereren is een arbeidsintensief proces. Leerkrachten werken vaak met materiaal dat door anderen werd gemaakt. Zorg ervoor dat leerlingen merken dat je zelf ook naar bronnen verwijst wanneer je een beroep doet op het werk van anderen. Tools zoals Easybib kunnen je hierbij helpen.

Meer info?

De vanzelfsprekendheid van de vaardigheid

Eens je over een nieuwe vaardigheid beschikt, is die vaak meteen zo evident dat je ze niet meer in vraag stelt. Je kunt je amper nog inbeelden dat je de vaardigheid ooit niet beheerste. Dat is een bedenking die ik me steeds vaker maak.

Als taalleerkracht besteed ik een belangrijk deel van mijn lessen aan vaardigheden. De vanzelfsprekendheid waarmee we de verwerving van een nieuwe vaardigheid omarmen, heeft ook enkele gevolgen voor het onderwijs van vaardigheden. In deze blogpost probeer ik enkele van mijn ervaringen te beschrijven.

1. Complexiteit van vaardigheden

Net als elke taalleerkracht werk ik aan vijf vaardigheden: lezen, schrijven, luisteren, spreken en gesprekken voeren (deze laatste wordt al eens vergeten, maar is volgens sommigen misschien wel de belangrijkste uit het rijtje). Deze vaardigheden zijn van nature erg complex, maar ze zijn voor vaardige taalgebruikers zo evident dat ze één en ondeelbaar lijken.

Eerste paradox: Hoe sterker ik mezelf ontwikkel binnen mijn vakdomein, hoe moeilijker het lijkt te worden om het leerproces vanuit het perspectief van de leerling te zien. Dit is iets waarmee elke leerkracht wel eens geconfronteerd wordt, denk ik.

Via de hashtags #researchED en #rEDlang kwam ik in contact met het werk van Dr. Gianfranco Conti. Hij wees er in zijn presentatie op ResearchED in Londen (april 2017) op dat luistervaardigheid binnen het talenonderwijs vaak getoetst wordt, maar niet echt aangeleerd wordt. Ik moet Conti in zijn vaststelling helaas gelijk geven. Gelukkig vond ik in zijn blogposts ook erg veel voorbeelden van activiteiten die ik in de klas wel doe, maar nooit zou ondergebracht hebben onder oefeningen om luistervaardigheid te verbeteren. Een samenvatting van zijn presentatie vind je in deze blogpost. Luistervaardigheid is bovendien een inwendig proces, dat we enkel kunnen ‘meten’ via de andere vaardigheden: we laten leerlingen schriftelijk of mondeling verslag uitbrengen van wat ze gehoord hebben. Hoe leerlingen luisteren, en hoe ze de beluisterde informatie verwerken, blijft voor mij als leerkracht een mysterie.

#rEDlang tweet
#rEDlang tweet over presentatie G. Conti

Een zelfde gevoel ervaar ik steeds vaker wanneer ik nadenk over schrijfvaardigheid. Leerlingen krijgen weliswaar telkens nieuwe oefeningen en opdrachten waarbij ze aan de slag gaan met tips, checklists, voorbeelden, schrijfkaders en strategieën, maar het aanleren van de vaardigheid zelf blijft voor mij vaak een black box. Er zijn bovendien veel parameters die een rol kunnen spelen. Dit maakt het uitermate complex om vooruitgang te meten. Eerder dit jaar lanceerde Jeroen Clemens een initiatief onder de noemer ‘Schrijfonderwijs op de schop‘ met als doel beter schrijfonderwijs te ontwerpen. In de reacties op zijn initiatief merkte ik dat vele vakcollega’s zich dezelfde bedenkingen maakten als ik.

Een kritische blik op de drie andere vaardigheden levert gelijksoortige vragen en bedenkingen op: Hoe komt de vaardigheid werkelijk tot stand? Hoe kunnen we vooruitgang van leerlingen meten en opvolgen?

2. Leerprocessen zichtbaar maken

Wanneer leerlingen bepaalde (deel)vaardigheden verworven hebben, valt het me telkens op dat ze dat vanzelfsprekend vinden. Van een euforisch gevoel is er zelden sprake. Bovendien tonen leerlingen soms onbegrip wanneer een medeleerling een bepaalde vaardigheid nog niet verworven heeft. Het wordt als storend aanzien en wekt ergernis op. De vaardige leerling kan zich niet meer in het perspectief plaatsen van de minder vaardige leerling. Hij kan zich dus ook niet meer inbeelden dat hij zelf in een (al dan niet) ver verleden dezelfde moeilijkheden ondervond.

Om leerlingen bewuster te maken van hun leerprocessen, probeer ik voor de vaardigheden deze processen zichtbaar(der) te maken. Voor spreekvaardigheid probeer ik leerlingen opnames te laten maken van zichzelf (als referentiepunt), voor schrijfvaardigheid laat ik leerlingen werken in Google Docs, dat een gemakkelijk toegankelijke revisiegeschiedenis heeft. Gerichte feedback en feedforward hebben een zelfde doel: leerlingen bewuster laten omgaan met het leertraject dat ze afleggen.

Als vooruitgang moeilijk vast te stellen valt en verworven vaardigheden als evident worden aanzien, heeft dit mogelijk ook een impact op de doelmatigheidsbeleving van de taalleerkracht. Als taalleerkracht word ik immers wel eens gewezen op talige onvolkomenheden in het werk van mijn leerlingen, maar bij leerlingen die op talig vlak volgens het verwachtingspatroon functioneren, wordt er zelden luidop over taalvaardigheid nagedacht. Het is…  een evidentie geworden.

3. Hoge verwachtingen

Wanneer een leerling een vaardigheid verworven heeft, wordt de lat door de leerkracht en de omgeving meteen – en vooral stilzwijgend – hoger gelegd. En dat is goed, want hoge verwachtingen van leerkrachten hebben een positieve impact op leerprestaties. Ik pleit er echter voor om als leerkracht voldoende aandacht te besteden aan de mijlpalen – hoe klein ook – die leerlingen behalen.

Verwachtingen mogen echter niet onrealistisch hoog liggen of absurd worden. Wanneer ik lesmateriaal over presentatievaardigheden bekijk, word ik soms ongemakkelijk bij de hoge eisen die gesteld worden aan leerlingen. Wie beroepsmatig wel eens presentaties geeft of deelneemt aan congressen, weet dat er een zeer grote diversiteit is aan sprekers en dat dé perfecte spreker niet bestaat. Ook ervaren en begenadigde sprekers hebben wel eens mindere dagen, moeten al eens minder goed voorbereid of in ongunstige omstandigheden aan de bak. Leren we leerlingen daar ook mee omgaan?

Rubric
Bron: Wikimedia Commons

Wanneer we rubrics  maken om vaardigheden te beoordelen, proberen we vaak zo allesomvattend mogelijk te zijn. Alle criteria worden tot in de puntjes beschreven en waar mogelijk ook met een cijfer gewaardeerd. Dit leidt soms tot absurde situaties. Een mooi voorbeeld van een dergelijke absurditeit van rubrics wordt beschreven in deze column van Coen Peppelenbos op TZUM. Peppelenbos beschrijft er hoe hij zelf zou falen als hij beoordeeld zou worden op basis van een rubric die hij in een artikel in Levende Talen (een tijdschrift voor taalleerkrachten) gevonden had. De rubriceerschaal telde maar liefst 26 criteria en was bedoeld om peerfeedback te geven. Het evaluatie-instrument schoot volgens Peppelenbos zijn doel ver voorbij.

4. Verwachtingspatronen doorbreken

Ik heb zelf een haat-liefdeverhouding met rubrics: enerzijds vind ik het maken van een rubric een zinvolle oefening om heldere evaluatiecriteria te formuleren, anderzijds zorgen rubrics ervoor dat leerlingen al snel in een (door mij of anderen voorbedacht) hokje terechtkomen. Vaak past mijn feedback inhoudelijk toch niet helemaal in de voorziene hokjes. Ik werk daarom graag met een rubric die niet gebonden is aan cijfers in combinatie met woordelijke feedback in twee categorieën: Wat ging goed? Wat kan er beter?

In mijn lessen probeer ik ook voldoende aandacht te besteden aan het verwachtingspatroon binnen bepaalde communicatieve situaties. Aan welke regels moet je je houden wanneer je een formele e-mail schrijft? Leerlingen die deze basisregels onder de knie hebben, daag ik uit met de vraag: Welke van deze basisregels kun je – bewust – schenden om je communicatiedoel te bereiken? En hoe kun je dan het best dat verwachtingspatroon doorbreken? Die vragen stellen de vanzelfsprekendheid van vaardigheden in vraag en staan voor mij centraal bij de vorming van vaardige taalgebruikers.

In deze blogpost probeerde ik enkele van mijn ervaringen over het onderwijs van (taal)vaardigheden neer te pennen. Heb jij bedenkingen die je wil delen? Of heb je tips om leerlingen taalvaardiger te maken? Ik hoor ze graag!

De eerste toets

Wie voor een klas staat, ontsnapt er niet aan: er moet getoetst worden. Een eerste test bij een nieuwe leerkracht is toch altijd even wennen.

Welke vragen worden er gesteld? Hoe moet je antwoorden? Wat moet ik juist kennen? 

Ook voor een leerkracht is een eerste toets verbeteren een aanpassingsmoment. Niet zelden stel ik na een toets vast dat ik leerstof toch op een andere manier zal moeten aanbrengen. Bij een eerste toets gebeurt dit volgens mij nog vaker dan anders. Je hebt immers nog weinig informatie over de beginsituatie van je leerlingen.

Welke leerlingen heb ik voor me? Welke voorkennis hebben zij? 

Reflectie na de eerste toets

Ik verplichtte mijn nieuwe leerlingen dit jaar om na de eerste test een kort formulier in te vullen. Nog voor zij de resultaten kenden, dus. Het leverde enkele verrassende resultaten op. Ik moet er natuurlijk op vertrouwen dat de leerlingen eerlijke feedback gaven, maar dat is altijd zo wanneer je leerlingen laat reflecteren. De vragenlijst is bovendien niet alleen een meetinstrument, maar ook een manier om (impliciet) aan te geven wat mijn verwachtingen zijn: voor een test van een taalvak studeer je bijvoorbeeld best schriftelijk.

reflectie toets
Formulier reflectie toets

Op basis van de eerste reacties en de nabespreking in de klas vermoed ik dat leerlingen niet helemaal begrepen wat ik bedoelde met de volgende vraag:

Ik vind dat ik me op basis van deze test heb kunnen bewijzen (op de te kennen leerstof).

Met deze vraag wou ik peilen of leerlingen vonden dat op basis van wat ze moesten kennen hebben kunnen tonen wat ze kunnen (en kennen). Ik wou dus weten of ze de toets voldoende valide en representatief vonden. Uit de antwoorden die ik kreeg, concludeer ik dat ik de vraag of de omschrijving van de vraag moet aanpassen. Wie een suggestie heeft, mag die altijd kenbaar maken.

cropped-logo-1.jpg

 

 

 

Meer info?

Evalueren begint in september

Aansluitend bij mijn vorige blogpost over punten deel ik graag het interview met Saskia Vandeputte en mezelf dat eerder deze week in het tijdschrift Klasse verscheen. In het septembernummer van Klasse staat het thema evalueren centraal. Het artikel (en in navolging ook het gehele nummer) kreeg dan ook de toepasselijke titel ‘Evalueren begint nu’.

Bron: Klasse Magazine 005, september 2016
Bron: Klasse Magazine 005, september 2016

Dankzij Klasse kreeg ik de kans om mijn praktijkervaring te toetsen aan de expertise die Saskia de voorbije jaren als procesbegeleider heeft opgebouwd. Het werd een bijzonder leerrijk gesprek, dat hopelijk nog een vervolg krijgt in de toekomst. Uitgepraat waren we alvast niet!

cropped-logo-1.jpg

 

Cijfers, cijfers, cijfers…

Heel wat van onze onderwijstijd draait om cijfers. Taken, toetsen, rapporten, deliberaties: de cijferlijst is moeilijk weg te denken uit de leefwereld van de leerkracht. En wanneer onze eigen kinderen thuiskomen met een toets, vragen we vaak eerst naar het cijfer (ik beken…). Bovendien herkent elke docent waarschijnlijk wel de typische, bijna pavloviaanse reactie op het uitdelen van een nieuwe taak of opdracht:

Staat dat op punten, mevrouw?

Ik weet niet hoe vaak ik de bovenstaande vraag de voorbije twee jaar al heb gehoord. Mijn reactie op deze woorden is even onvoorspelbaar als het weer. Hoe kun je als leerkracht werken rond attitudes voor levenslang leren als de primaire drijfveer van je doelpubliek niet meer dan een cijfer is? Hoe kun je een leerling vooruit helpen die er zelf eigenlijk alleen op uit is om in juni uit het rood te blijven? Met mijn onvoorspelbare reacties wil ik vooral gesprekken uitlokken die de bewustwording van het leerproces stimuleren. Het ballonnetje doorprikken, zeg maar.

Ik kan het mijn leerlingen natuurlijk moeilijk kwalijk nemen dat ze als het ware geprogrammeerd zijn geraakt door ons onderwijssysteem. Dat ze pas in actie lijken te schieten wanneer er een cijfer gegeven wordt. Anderzijds voel ik bij het horen van die woorden telkens de onweerstaanbare drang om mijn puntenboek uit het raam te gooien. Wat betekenen die punten immers en – misschien nog wel belangrijker – welk effect hebben ze op het leerproces?

Een school zonder cijfers

Er zijn ook leerkrachten die het gewoon doen. Onderwijzen zonder cijfers. Op Facebook groeit het aantal leden in de groepen Actief leren zonder cijfers en Teachers throwing out grades gestaag. Docent Nederlands Arnoud Kuijpers startte in Nederland het project Expeditie Nederlands waarin hij er bewust voor kiest om niet te werken met een methode of met cijfers.

Ik lees. Ik volg. Ik absorbeer. Ik droom ervan om zelf ooit de moed te hebben om een eigen Expeditie uit de grond te stampen. Maar voorlopig blijf ik binnen de veilige grenzen van het bestaande systeem. En blijf ik werken met een klassiek puntenboek dus, ook al investeer ik erg veel tijd aan het geven van feedback en beperk ik bewust het aantal ‘klassieke’ toetsen en evaluaties waaraan ik een cijfer koppel. Dat betekent ook dat ik vrijwel constant op zoek ben naar andere vormen van evalueren: hierover snel meer!

cropped-logo-1.jpg

 

 

 

Meer info?

De onuitputtelijke kracht van constructieve feedback

Om uit te leggen waarom ik zo geloof in de kracht van feedback, neem ik jullie mee terug naar een van de fijnste onderwijsmomenten die ik vorig schooljaar heb beleefd.

Ik gaf voor het tweede jaar op rij les in het zesde jaar. De leerlingen uit de richting Humane Wetenschappen presenteren in het laatste jaar traditiegetrouw een onderzoekspaper voor een jury. Uit de ervaring van het schooljaar voordien leerde ik dat de leerlingen in de periode voor de presentatie erg geprikkeld waren en alle inspanningen wilden richten op het afwerken van hun paper en de bijhorende presentatie. Een test afnemen of taak opgeven in deze periode was not done. De hele situatie zorgde voor een gespannen sfeer in een anders o zo aangename klas.

Ik besloot het dit jaar over een andere boeg te gooien en de hele week voor de presentatie in het vak Nederlands te werken rond presentatievaardigheden, een onderwerp dat perfect aansluit bij de te behalen leerplandoelstellingen voor het vak. De lessen Engels verplaatste ik naar de week die volgde en verving ik door extra lessen Nederlands, waardoor we echt de tijd konden nemen om ons volledig toe te leggen op de voorbereiding van de presentaties.

We bekeken voorbeelden van getalenteerde en minder begenadigde sprekers, maakten checklists, we bespraken elkaars sterktes, valkuilen en werkpunten, en besteedden de rest van de tijd aan leren van elkaar. Leerlingen die dit wensten, mochten immers een generale repetitie houden. Na die presentaties legde ik telkens weer opnieuw dezelfde eenvoudige vragen voor aan de groep:

Wat ging er goed?

Wat kan er beter?

Les na les zag ik de leerlingen groeien. Niet alleen groeide het vertrouwen om voor de groep te spreken, ik merkte ook heel sterk dat de feedback van de leerlingen steeds concreter en constructiever werd. De leerlingen creëerden een sfeer waarin iedereen op zijn of haar eigen tempo kon groeien. Zowel de leerlingen als ikzelf hebben veel geleerd en erg genoten van deze lessen, het contrast met wat ik een jaar eerder had ervaren kon niet groter zijn.

Omdat ik terloops ook wou toetsen wat de leerlingen hadden geleerd, vroeg ik tijdens een van de lessen of de leerlingen mij feedback konden geven over mijn presentatievaardigheden. Ik voelde even een moment van vertwijfeling, en zag toen een hand in de lucht gaan. De leerling glimlachte fijntjes en zei toen:

Mevrouw, we beginnen dan best bij wat goed gaat, neem ik aan?

feedback

Bijhorend lesmateriaal:

Kopie delen van een Google Doc

Twee jaar geleden werd op Facebook de groep Lesideeën secundair onderwijs opgericht. Ondertussen delen meer dan 7000 leerkrachten uit Vlaanderen en Nederland dagelijks ideeën en tips in deze groep.

Vandaag las ik het bericht van collega Tamara Stojakovic, die leerlingen graag actiever wil laten reflecteren over leerprocessen en daarvoor gebruik wil maken van Google Forms. Fantastisch idee, dat bovendien volledig aansluit bij mijn visie op formatieve evaluatie.

Ze deelde in de groep de Google Form die ze zelf opgemaakt had. Om zelf als leerkracht meteen met dit idee aan de slag te gaan, is het echter handig om een kopie van dat document te kunnen maken.

Er is een erg gemakkelijke manier om een document dat opgemaakt is met Google Apps (#gafe, i.e. Docs, Sheets, Forms, Slides en Drawings) zo te delen dat de gebruiker er automatisch een kopie van maakt. Dit doe je eenvoudigweg door ‘edit‘ achteraan in de adresbalk te veranderen in ‘copy‘.

Automatisch een kopie delen van een Google Doc
Automatisch een kopie delen van een Google Doc (karenvdc)

Wanneer iemand deze link gebruikt, zal hij onmiddellijk de vraag krijgen om een kopie te maken van het gedeelde document. Je document moet wel toegankelijk zijn voor ‘iedereen met de link‘ om het te kunnen delen. Dit lukt dus ook met Sheets, Slides, Forms en Drawings. Handig, toch?

cropped-logo-1.jpg